Woonbegeleiding
Woonbegeleiding
Voor veel cliënten is een gezonde leefomgeving van wezenlijk belang om een goed resocialisatieproces in te kunnen gaan. Terwille hecht grote waarde aan een veilige woonomgeving, waar een verslavingsvrij leven kan worden opgebouwd. Zeker binnen het begeleid wonen was er een gebrek aan ‘veilige' woonplekken waarbij er geen sprake was van middelengebruik. Daarom is Terwille in 2008 begonnen met woonbegeleiding, met zo nodig woningen die verstrekt worden door Terwille in samenwerking met woningbouwverenigingen.
De begeleiding richt zich volgens het acht-fase model op de volgende acht leefgebieden: huisvesting, financiën, sociaal functioneren, psychisch functioneren, zingeving, lichamelijk functioneren en dagbesteding.
Binnen onze begeleide woonvormen kennen we twee catgorieën, te weten:
* Gezamenlijk Begeleid Wonen (GBW)
* Begeleid Zelfstandig Wonen (BZW)
GBW
De instelling heeft woningen van de woningbouwvereniging gehuurd en ingericht als GBW-woning. Hier kunnen maximaal twee of vier personen gehuisvest worden die naast een eigen kamer een gezamenlijke (woonkamer), keuken en sanitair hebben. De cliënten die hier geplaatst worden wonen (nog) niet Begeleid Zelfstandig en kunnen deze plek (als opstap) gebruiken om terug te keren in de maatschappij. De instelling gaat met desbetreffende cliënt een hulpverleningsovereenkomst aan waarin de cliënt akkoord gaat met de aangeboden hulpverlening welke geboden wordt door de instelling. Dit betekent dat de woning en de hulpverlening aan elkaar is gekoppeld. De cliënt richt zijn kamer in, eventueel met ondersteuning van eigen netwerk of instelling.
De maximale verblijfsperiode binnen het GBW is een jaar.
BZW
Op verschillende locaties betrekt de instelling woningen van verschillende woningbouwverenigingen. Elke woning wordt beschikbaar gesteld aan een geïndiceerde cliënt of systeem. De instelling gaat met desbetreffende cliënt een hulpverleningsovereenkomst aan waarin de cliënt akkoord gaat met de aangeboden hulpverlening welke geboden wordt door de instelling. De cliënt richt deze woning in, eventueel met ondersteuning van eigen netwerk of instelling. De aangeschafte inboedel is dus eigendom van de cliënt. Het uiteindelijk doel is dat aan het einde van het begeleidingstraject de cliënt zodanig stevig in de maatschappij staat en zijn netwerk heeft opgebouwd, dat hij zonder inmenging van de hulpverlening verder kan. Hij krijgt het huis dan op eigen naam.





